Vallende Ouders
(De Tandeloze Tijd 1)
De reekstitel die A.F.Th van der Heijden aan zijn grote romantrilogie meegaf, De tandeloze tijd, lijkt de oude zegswijze 'de tand des tijds' tegen te spreken.
Inderdaad pretendeert de hoofdpersoon Albert Egberts een manier gevonden te hebben om de altijd maar doorknagende tijd zijn tanden te ontnemen. Maar het 'leven in de breedte' - zoals hij zijn methode noemt - gaat weer ten koste van zijn uiterlijk leven, dat zo stil dreigt te gaan staan. En stilstand, die nog eens benadrukt wordt door zijn sexuele onvermogen, is nu juist wat Albert Egberts kost wat kost wilde uitbannen. De tandeloze tijd vormt onder meer het verslag van zijn gevecht met die tegenstrijdigheid.
In Vallende ouders, het eerste deel van de cyclus, zien we Albert Egberts, terwijl hij op weg is naar Amsterdam, de stad die beweging in zijn leven moet brengen, steeds verder afzakken naar het Zuiden, domein van zijn jeugd, en daarmee naar de stilstand. Hij krijgt er alle gelegenheid te graven naar de wortels van zijn impotentie. Hij stuit op verdachte data, vallende ouders, dronkenschap, een besmette geboorte... Maar in hoeverre is Albert Egberts bezig de feiten zodanig te rangschikken, dat zijn stilstand en onmacht erdoor gerechtvaardigd worden?